Tussen genialiteit en idioterie

De Franse kunstenaar Paul Gauguin zocht zijn leven lang naar het paradijs. Op de beurs vond hij het niet, in Tahiti voor even. Een rijkelijk gestoffeerde expo in Parijs toont hoe veelzijdig hij was.

‘Die jongen wordt een idioot of een genie’, zei een onderwijzer ooit over Paul Gaugin (1848-1903). Hij vergiste zich. Bij Gaugiun sloot het ene het andere niet uit : hij was een geniaal kunstenaar met wat aparte ideeën over het leven. Gauguin was eindeloos op zoek naar iets ongrijpbaars  de puurheid van het wilde leven. Europa was hem te verstikkend, te conventioneel. Het aards paradijs lag aan de andere kant van de wereld, in Polynesië, dacht hij. Hoe zijn kunst hem daarheen leidde, is te zien in ‘Gauguin l’alchimiste’ in het Grand Palais in Parijs. Met 239 werken biedt de tentoonstelling een rijkelijk overzicht.

 

Gauguin is het bekendst van zijn schilderijen van blote meisjes uit Tahiti. Maar hij was evenzeer een begenadigd beeldhouwer, etser, uitgever en houtbewerker. Zijn genie schuilde erin dat hij de verschillende disciplines tot een geheel smeedde. Gauguin was multimediaal avant la lettre. De curatoren noemen hem de alchemist, omdat hij uit alles kunst maakte. De expo speelt die veelzijdigheid mooi uit.

Gauguin bracht zelf ook geen hiërarchie aan in zijn kunst. ‘De scheppingskracht van de kunstenaar is belangrijker dan het resultaat. Het is de enige manier om naast God te kunnen staan, de schepper van alles’, staat op een van de muren Dat is nog zo’n apart idee van Gauguin : hij vergeleek zich graag met God. Aan het begin van de expo is een zelfportret uit 1889 te zien. Hij op de voorgrond, de gekruisigde Christus in de achtergrond.

Beursmakelaar

 Ook als kind was Gauguin anders. Toen hij één was, trokken zijn ouders vanuit Parijs naar Peru, waar verre familie woonde. Zijn vader overleed tijdens de overtocht. Toen zijn moeder in 1855 met haar kinderen terug naar Frankrijk keerde, voelde de 7-jarige Gauguin zich meer Peruviaan dan Fransman. Met zijn klasgenoten had hij weinig contact. Hij was een eenling die de tijd verdreef met het kerven van figuurtjes in hout.

In 1867, hij was toen wees geworden, ontmoette Gauguin de belangrijke kunstverzamelaar Gustave Arosa. Bij hem ontdekte hij werken van Gustave Courbet en Eugène Delacroix. Ze zetten Gauguin op het artistieke spoor. Arosa hielp hem ook aan een baante bij het Parijse beurshuis Bertin. Gauguin bleek een uitstekend makelaar, met een fijne neus voor de markten. Maar na een tijd begon het wheelen en dealen op de beurs hem te vervelen. Zijn vrije tijd ging volledig op aan tekenen en schilderen. Eerst was zijn stijl nog vrij klassiek en academisch. Maar al snel ontdekte hij de impressionisten. Vooral de invloed van Edgar Degas is onmiskenbaar.

Eind 19de eeuw gunde niemand in de Franse kunstwereled elkaar het licht in de ogen. Toen Gauguin in 1880 werd uitgenodigd om samen met de impressionisten tentoon te stellen in Parijs, trokken de sterren Claude Monet en Auguste Renoir zich terug. Ze vonden dat Gauguin niet meer was dan een klakkeloze kopieerder. Helemaal ongelijk hadden ze niet.

Gauguin liet de kritiek niet aan zijn hart komen. Zijn opvattingen over het wezen van de kunst waren fundamenteel anders. De impressionisten wilde de werkelijkheid weergeven zoals zij die zagen : een impressie van kleur en licht. Voor Gauguin was kunst de afspiegeling van de ziel van de kunstenaar. Met die opvatting stond hij dichter  bij de latere symbolisten dan bij de impressionisten.

In 1883 gaf Gauguin zijn job als beursmakelaar op. Hij werd voltijds kunstenaar. Om rond te komen ging hij onder meer in het atelier van de Parijse keramist Ernest Chaplet werken. Hij ontwierp ook meubels. De expo in het Grand Palais speelt al die elementen prominent uit. Eén thema komt vaak in verschillende vormen terug. Het prachtige schilderij ‘Dans les vagues’ uit 1889 vond een jaar later zijn pendant in de houtsnede ‘Soyez mystérieuses’. Een fraai gevomd koffiepotje zie je even verder terug op een stilleven. Mocht merchandising al hebben bestaan dan was Gauguin er wellicht niet vies van geweest. Hij verkeerde constant in geldnood.

Geïdealiseerde explosie
 Zijn zoektocht naar het wilde paradijs ging onverdroten voort. Hij dacht het eerst gevonden te hebben in Bretagne waar hij in 1886 in Pont-Aven een kunstenaarskolonie stichtte. Bretagne was aan het einde van de 19de eeuw niet zo sterk ontwikkeld als de rest van Frankrijk. Gauguin zag daar iets wilds in. Hij schilderde de inwoners in hun folkloristische klederdracht. De Bretoenen liepen niet hoog op met die schilder uit Parijs. Ze voelden zich belachelijk gemaakt.

In 1891 reisde Gauguin naar Tahiti. Maar de Franse kolonie met haar vele westerse geplogendheden was minder idyllisch dan verwacht. En dus trok hij steeds verder de wildernis in, op zoek naar het pure leven. Dat vond hij in afgelegen dorpjes.

De laatste zalen van ‘Gauguin l’alchimiste’ belichten zijn Polynesische kunst. Het is een explosie van kleur en geïdealiseerde zinnelijkheid. Gauguin schilderde het paradijselijke leven, inclusief de grote angst van de Tahitioanen voor de boze geesten, in ruwe, grote kleurvlakken. Kijk naar het prachtige ‘Manao Tupapau’ uit 1892.

Met zijn indringende stijl effende Gauguin het pad voor de fauvisten. Henri Matisse is sterk door hem beïnvloed. Ook Picasso is aan hem schatplichtig, zowel qua thematiek als materiaalgebruik.

Hoe mooi de schilderijen van de Tahitiaanse vrouwen ook zijn, ze hebben ook iets ranzigs. Het paradijselijke leven najagend zag Gauguin er geen graten in om zijn leven en bed te delen met meisjes van 13 of 14. ‘Dat is daar de gewoonte’ vergoelijkte hij in zijn dagboek. Het is maar de vraag of die meisjes er zo over dachten. Op haast geen enkel schilderij kan er een lachje af. Ze lijken ook nooit echt in de ogen van de schilder te kijken, alsof ze hem toch maar een idioot vonden.

Omdat hij ook in Tahiti geen rust vond, verkaste Gauguin in 1901 naar de Markiezeneilanden. Hij bouwde er een prachtig Polynesisch huis : ‘la maison de jouir’, het huis van genot. Op de expo is het gedeeltelijk nagemaakt.Het is opgedragen aan de schoonheid van de Polynesiche vrouw, die Gauguin in prachtige houtsnedes vereeuwigde. Maar gelukkig werd hij er niet.
In 1903 stief hij na een reeks hartaanvallen veroorzaakt door syphilis, opgelopen zes jaar eerder in Parijs, toen hij zijn Polynesische werken probeerde te verkopen.

‘Gauguin l’alchimiste’ loop tot 22 januari in het Grand Palais in Parijs. 
www.grandpalais.fr

Tekst geschreven door Koen van Boxe
Uit ‘De Tijd’ van 14/10/2017