Categoriearchief: nieuwsbrief

Lak@rt stelt tentoon in Nieuwpoort

De Nieuwpoortse Halle, beter bekend als “Stadshalle” is mooi gelegen naast het stadhuis op het Marktplein van Nieuwpoort. Weet ook dat Nieuwpoort twee “gezichten” heeft of beter gezegd: je hebt Nieuwpoort Bad (aan de zee gelegen) en meer in het hinderland (of achterland) Nieuwpoort: daar is het te doen …  en waarom beide niet combineren? Een dagje zee aangevuld met kunst.

De tentoonstelling is te zien op het gelijkvloers en op de eerste verdieping.
De Stadshalle is uitgerust met een lift.

    

Praktisch:
Waar: Stadshalle Nieuwpoort
Wanneer: van 17 tot en met 27 mei 2018
Uren: doorlopend van 10 tot 18 uur
Toegang: gratis

Wat is er te zien?

Schilderijen:

Arno Amandt
Hugo De Winter
Arlette Neirynck
Etienne Rombauts
Leen Vereecken  
Etienne Moentjens (schilderijen + iconen)

Tekeningen:

Leen Vereecken
Etienne Moentjens

Keramiek:

Martine Braeckman
Chris De Mol
Marc Roos
Caroline Martens
Etienne Rombauts
Eric De Smet

Beeldhouwwerk: 

Luc Verstuyft  
Caroline Martens

Brons:

Eric De Smet

Glaskunst:

Joris Messiaen (Glasaal)
Eric De Smet
Jan Heylen 

 

Arte Amanti

Een geslaagde culturele avond in Laarne met Lak@rt en

Op vrijdagavond 2 maart ging, op initiatief van het Laarnse gemeentebestuur, de negende editie van de Arte Amanti concertreeks in Vlaanderen van start in de Sint-Machariuskerk in Laarne. Een vijftigtal geïnteresseerden annuleerde de reservatie omwille van de weersomstandigheden, maar 200 aanwezigen genoten met volle teugen van de schitterende muziek.

Reinilde Leyers wil met Arte Amanti concerten naar steden en gemeenten brengen in Vlaanderen, buiten het grote cultuurcircuit. Bij ieder van de 23 concerten, gepland in maart en april 2018, krijgt een uitzonderlijk Jong Talent de gelegenheid om op te treden in het voorprogramma van internationale artiesten en ensembles van de meest gerenomeerde competities, zoals bijvoorbeeld de Koningin Elisabeth Wedstrijd.

In Laarne was het internationale Busch Trio aan zet. Zij brachten met passie werk van Beethoven, Shostakovich en Frank Bridge. In het voorprogramma bracht violiste Jiska Lambrecht werk van Bach en het heerlijke ’Tzigane’ van Ravel. Het werd stil in de gezellig warme Sint-Machariuskerk en de reactie ‘outstanding’ werd meermaals gehoord bij de aanwezigen.

Aansluitend, heel wat bewonderende blikken in het oud gemeentehuis voor het werk van vijftien leden-kunstenaars van Lak@rt, het lokaal kunstcollectief van Laarne en Kalken. Er kon nagekaart worden met de musici en de kunstenaars tijdens de receptie die werd aangeboden door het gemeentebestuur. Ook de tiende editie van de Arte Amanti concertreeks kwam eventjes ter sprake. Wees alert en probeer erbij te zijn, begin maart 2019!

Lak@rt bezoek concertgebouw Brugge

“Brugge, die scone”, uiteraard weet iedereen dat maar alléén wij, met z’n twaalf (?) Lak@rtjes, hebben het Concertgebouw van Brugge in al zijn facetten mogen beleven!

Ter verduidelijking:  het Concertgebouw is een cultureel complex in Brugge,  gelegen aan ‘t Zand, dat werd opgetrokken voor “Brugge 2002 Culturele hoofdstad van Europa”.

Thema: “Achter de schermen”, dat is nou net wat we zochten …

Sommigen met de trein anderen met de auto, wij allen naar Brugge. Om 10:15 samenkomst en verwelkoming door onze gids. Zo wist onze gids ons direct te boeien door te vertellen dat het Concertgebouw het resultaat was van een internationaal architectonische wedstrijd waarbij uitgerekend een GENTS architectenduo Robbrecht en Daem dit project binnenhaalde. Wat ondermeer ook meetelde was het feit dat heel veel details en informatie reeds ingesloten zat bij de  indiening van hun ontwerp.

De gevels zijn bekleed met duizenden rode terracottategels, 68.000 in totaal, allen gebakken in Sint-Omaars in Noord-Frankrijk. Meteen is de link gemaakt met de middeleeuwse look van de stad Brugge. Technisch heel knap bedacht: vastschroefbaar (wind, veiligheid) en vervangbaar; de “kolommen” of “zuilen” in de hoofdgevel zijn zelfs richtbaar, verdraaibaar in functie van de lichtinval. Om eventuele kleurverschillen te voorkomen bij het vervangen van tegels heeft men ergens op een stadsterrein een grote hoeveelheid tegels “bloot” gelegd in weer-en-wind.

Naast een grote concertzaal die beschikt over 1290 zitplaatsen op drie niveaus, is er ook nog de kamermuziekzaal die plaats biedt aan 320 toeschouwers. Op het gelijkvloers is er het Concertgebouwcafé (mooi, lekker en knus) en op de zevende verdieping, de bovenste etage van de Lantaarntoren, is er een expositieruimte voor hedendaagse kunst.

Eén van de vele weetjes is het feit dat op het toneel een akoestische schelp kan gebouwd worden door “te schikken” met de akoestische torens. Ook de vorm van de concertzaal zelf heeft de vorm van een schelp!

We hebben mogen ervaren dat men ook een goed uitzicht heeft over de stad en dit op alle bouwlagen en in alle richtingen: overal veel, véél licht.

De Concertzaal heeft een grote toneeltoren van 35 m hoog, met machinale trekken en heel uitgebreide faciliteiten voor (muziek)theater en podiumkunsten. Daarnaast werd er veel aandacht besteed aan de akoestische eigenschappen van deze zaal door Arup Acoustics. De akoestiek kan optimaal aangepast worden aan alle muziekgenres en vormen van muziektheater door middel van klanktorens, concertplafonds en akoestische gordijnen. De scènetoren zelf kan met akoestische afsluiting ook dienst doen als klankkast.

Bij concerten wordt er fysiek één ruimte voor publiek en orkest gecreëerd. De galmtijd kan, afhankelijk van de opstelling, variëren tussen 1,4 en 2,3 sec.

De Kamermuziekzaal in de Lantaarntoren (in totaal 30 m hoog) is voorzien om kleine ensembles te ontvangen. De zaal heeft een oppervlakte van 150 m² en is 13 m hoog. Het publiek zit grotendeels rond de uitvoerders, vergelijkbaar met een Italiaanse patio met daarrond wandelgalerijen zonder trappen. Als bezoeker-waarnemer is dit een zeer leuke ervaring omdat je zelf kan kiezen van waar uit je de musici wil zien!

Vele plaatsen hebben ons echt verrast en verbaasd: het podium met zijn 900 m²uitgerust met enorme schermen die zowel uit akoestisch als esthetisch oogpunt verdraai- en weg neembaar zijn; de vele soms reuze grote technische installaties; de schitterende loges voor de artiesten met mooie en aparte stadszichten; de vele kleine oefenplekken voor zowel muzikanten, zangers en dansers; de knappe lichtvol ingerichte ontmoetingsplaatsen voor artiesten. Zo was de loges voor de artiest van deze avond Bart Peeters reeds zichtbaar klaar.

Wat ook niet alleen goed om weten is maar ook aangenaam van zien is de integratie van kunstwerken in het gebouw. Op regelmatige basis koopt men kunstwerken aan op voorwaarde dat zij compleet geïntegreerd kunnen worden in het interieur, dus losstaande kunstwerken worden geweerd.

Eén van de meest verrassende bijzonderheden zijn de “veren” waarop het concertgebouw staat: dankzij enkele bijzondere architecturale ingrepen, zoals de 4.696 veren waarop het hele gebouw rust, biedt het Concertgebouw een uitstekende akoestiek en behoort op dat vlak tot de wereldtop. In gebieden waar aardbevingen te verwachten zijn is dit gebruikelijk: in Brugge heeft men deze techniek gebruikt om trillingen te neutraliseren ten gunste van de akoestiek.

Uiteindelijk zijn wij Lak@rt bezoekers beland in de patio gelegen naast het concertgebouw café. Blij met dit leerrijk bezoek hebben we heerlijk genoten van een natje en een droogje lekker, meer dan genoeg.

Dit initiatief vraagt om méér wat we absoluut onderschrijven ondanks de geringe opkomst. Graag wil ik nog onthullen dat we na ons bezoek aan het Concertgebouw even de “groene kanten” van Brugge hebben bewandeld. Met z’n achten hebben we onder andere een “kunst” kerk bezocht waar enkele van ons op de schommel hebben gezeten: heerlijke, ongeziene ervaring tot bezinning. En dit in een actieve, gewijde kerk!! En ja, na een drietal uurtjes zijn we onze dorst gaan lessen in het kleinste café van Brugge ….

Fijne dag, leuke ervaringen, boeiende collega’s, schitterende locaties, te veel om op te noemen.

Glasaal

Fernand Léger, schoonheid alom

Tentoonstelling “Frans Léger, schoonheid alom

Praktisch:
‘Fernand Léger, schoonheid alom’ loopt tot 6 juni in Bozar in Brussel
Openingsuren:
Din – Zon, 10:00 – 18:00
Don, 10:00 – 21:00 
Gesloten op maandag
www. Bozar .be

De man die in alles schoonheid zag
Hij stond mee aan de wieg van het kubisme en proefde van alle kunststromingen uit de 20ste eeuw. Maar uiteindelijk was Franse schilder Fernand Léger vooral zichzelf. Bozar toont hem in honderd werken.

Soms denk je : ‘Tiens, Mondriaan heeft goed naar Léger gekeken’ of ‘Oh, net de popart van Roy Lichtenstein’
‘Ik hou van de vormen van de modern industrie. Ik maak gebruik van haar stalen objecten met veelkleurige weerkaatsingen die zoveel subtieler en krachtiger zijn dan de klassieke onderwerpen’ Dat schreef  Fernand Léger (1881-1955) in 1923 aan zijn galeriehouder Léonce Rosenberger. Alsof hij voor een zeldzame keer de nood voelde zich te verantwoorden voor de richting die hij met zijn kunst was ingeslagen.

Als je door de Bozar-tentoonstelling ‘Schoonheid alom’ wandelt, kan je je haast niet voorstellen dat er een tijd is geweest dat Légers schilderijen niet op algemeen applaus warden onthaald. Wellicht was hij te vernieuwend. Vandaag voelt zijn figuratieve schoonheid in een modernistisch jasje vertrouwd. Je krijgt bij Léger nooit het ongemakkelijke gevoel dat je te dom bent om zijn kunst te snappen. Tegelijk zie je dat hij met niets of niemand te vergelijken is. Het maakt van Léger een geliefde kunstenaar, ook op de kunstmarkt. Met een veilingprijs van 70 miljoen dollar was ‘Contraste de formes’ het op vier na duurste kunstwerk van 2017.

Het schilderij hangt niet in Bozar. Maar het wordt niet echt gemist : de honderd andere werken vertellen genoeg. Ze schetsen Légers loopbaan in een vrij klassieke, chronologische opstelling. Net voor de ingang van de tentoonstellingszalen hangt het monumentale ‘Le transport des Forces’ uit 1937. He doek – 8,7 meter breed en 4,9 meter hoog – werd geschilderd door drie leerlingen van Léger op basis van een gouache van de meester. Het vat zijn kunst perfect samen : een combinatie van natuur en industrie in strakke, gekleurde geometrische vormen.

Tot die kunstvorm is Léger niet in één dag gekomen. Bij het binnengaan van de expo bots je op een klein impressionistisch zelfportret, waarbij de ogen met een dikke verfstreep zijn overschilderd. Het werkje dateert uit 1904-1905, toen Léger nog volop op zoek was naar zijn eigen stijl. De impressionisten, met Paul Cézanne op kop, waren zijn grote voorbeelden. Maar toen hij het kubisme in zijn werk begon te integreren kreeg hij een hekel aan zijn vroege werk. Hij vernietigde vrijwel alle schilderijen uit zijn beginperiode. Het zelfportret is een van de weinige die bewaard zijn gebleven.

Geen hiërarchie
Léger was van eenvoudige komaf. Zijn vader was veehandelaar in het Normandische dorpje Argentan. Hij stierf toen zijn zoon drie was. De jonge Fernand deugde voor niet veel. Op school bakte hij er niets van, maar hij kon wel goed tekenen. In 1903 werd hij toegelaten tot de Ecole des Arts Décoratiefs in Parijs. Dat was de vakschool van de kunst, in tegenstelling tot de Ecole des Beaux Arts voor de echte kunstenaars. Léger liet het niet aan zijn hart komen. Hij begon fanatiek te schilderen. Tegelijk schreef hij zich in als architectuurstudent, maar dat leidde nergens toe.

In Parijs maakte Léger kennis me de toenmalige hedendaagse kunst. Het impressionisme liep op zijn laatste benen. Pablo Picasso en Georges Braque introduceerden het kubisme. Léger sloeg ook die richting in. De grote transitie van de maatschappij was zijn inspriatiebron. De opkomende industrialisering en de verstedelijking noopten tot nieuwe kunst, vond hij. Hij stelde de contrasterende werking van vorm, kleur en lijn centraal.

Misschien nog het opvallendst is de gelijkschakeling van mens en machine in zijn schilderijen. Er is geen hiërarchie meer. De mens gaat op in het object. Daar zijn aan het begin van de tentoonstelling enkele prachtige voorbeelden van te zien. Op ‘Le Pont du remarqueur’ uit 1920 beeldde hij een binnenvaartschipper af die op de Seine in Parijs vaart. Je merkt de kapitein nauwelijks op tussen de geometrishe vormen van het schip en de kade, die ook al met elkaar verweven zijn.

Je zou het van zo’n nieuwlichter misschien niet verwachten, maar schoonheid stond centraal. Alleen definieerde Léger ze anders. ‘Ik wil de mensen doen beseffen dat er niet zoiets als een geclassificeerde, hiërarschie schoonheid bestaat. Overal is er schoonheid. In de schikking van de kookpannen tegen een witte keukenmuur wellicht nog meer dan in uw 18de-eeuwse salon of in de officiële musea’, zei hij in 1923.

Bij Léger draaide alles om moderniteit en verandering. De Eerste Wereldoorlog speelde daarin een grote rol. De schillder was brancardier aan het front. De gruwel van de oorlog tekende hem zwaar. De uiteengereten lichamen en kapotgeschoten landschappen noemde hij de ‘academie van het kubisme’. Het geheel uiteengevallen in niet meer passende onderdelen. De oorlog betekende ook de industrialisering van het geweld met almaar krachtiger en moorddadiger wapens. Ze voedden de fascinatie voor machines van de schilder.

Léger blinkt uit in artistieke veelzijdigheid. Hij flirtte met veel stijlen. Zijn kubisme vermengde hij met surrealisme en abstracte kunst, en later met realisme.Daardoor bekleedt hij een redelijk unieke positie in de kunst van de 20ste eeuw. Hij hoort overal en nergens bij. In veel dingen was hij een voorloper. Meer dan eens sta je bij een schilderij en denk je ‘Tiens, Mondriaan heeft goed naar Léger gekeken.’ Of ‘Oh, net de popart vanRoy Lichtenstein’. Zelfs Keith Haring komt om het hoekje kijken.

Léger was ook op uiteenlopende terreinen actief. Hij was onder meer verzot op reclame, nog zo’n product uit de vroege 20ste eeuw. Reclame was de kunst van de toekomst, meende hij. Hij ontwierp veel publiciteitsaffiches. Daarnaast speelde hij met taal en typografie, illustreerde hij boeken, schreef hij essays en verdiepte hij zich in poëzie.

Zot van circus en dans
De expo in Bozar wijdt een apart hoofdstuk aan Légers passie voor spektakel. De Franse kunstenaar was gek op circus. Met veel zwier schetste hij acrobaten en jongleurs. In 1950 bundelde hij in het boek ‘Cirque’ 63 litografieën uit het circusleven, aangevuld met tekst en poëzie.

Ook dans was een passie. Léger ontwierp decors en kostuums voor balletten en opera’s. In een van zijn eerste creaties voor Les Ballets suédois vertaalde hij zijn schilderijen naar het podium door er muziek en beweging aan toe te voegen.

Charlie Chaplin
Toen Léger de film ontdekte, ging een nieuwe wereld open. Charlie Chaplin was zijn held. Op de expo is een geschilderde sculptuur van de acteur te zien. Léger was zo gebeten door de filmmicrobe dat hij in 1924 met regisseur Dudley Murphy ‘Ballet mécanique’ draaide, een experimentele film zonder verhaal. En ook al was Léger in 1924 nog lang niet aan het einde van zijn carrière, alle elementen van zijn kunst zijn erin verwerkt. Contrasterende beelden van mens en machine, letters en geometrische vormen, felle kleuren en grijstinten volgen elkaar snel op. ‘Modern Times’ op zijn Légers. Het is de moeite waard om de film helemaal uit te kijken. Hij duurt maar twintig minuten.

De expo eindigt met enkele grote, prachtige schilderijen die Léger aan het einde van zijn leven maakte. Toen hij na de Tweede Wereldoorlog uit de Verenigde Staten terugkeerde – hij had geen zin om nog eens een oorlog mee te maken – werd hij lid van de communistische partij. Zijn kunst stelde hij in het teken van zijn politieke engagement : de verbetering van het leven van de gewone man.

In die optiek is ‘les Loisirs – Hommage à Louis David’ uitgegroeid tot een iconisch werk in Frankrijk. Het vakantiekiekje wordt er beschouwd als de ultieme illustratie van de afgedwongen congé payé. Voor Léger was het een terugkeer naar de eenvoud. Gedaan met het kubisme of de abstracte kunst. Dat begreep het volk toch niet, dacht hij bij zichzelf. Toch klopt er van alles niet aan het schilderij als je heel goed naar de personages kijkt.

En zo lijkt Léger de toeschouwer altijd een stap voor te zijn, waardoor je nooit op hem uitgekeken raakt. Ook niet in Bozar.

Door Koen van Boxem
Geselecteerd en ingestuurd door Caroline Martens uit tekst  ‘De financieel-economische Tijd’ van zaterdag 10 februari 2018

 

 

 

Tussen genialiteit en idioterie

De Franse kunstenaar Paul Gauguin zocht zijn leven lang naar het paradijs. Op de beurs vond hij het niet, in Tahiti voor even. Een rijkelijk gestoffeerde expo in Parijs toont hoe veelzijdig hij was.

‘Die jongen wordt een idioot of een genie’, zei een onderwijzer ooit over Paul Gaugin (1848-1903). Hij vergiste zich. Bij Gaugiun sloot het ene het andere niet uit : hij was een geniaal kunstenaar met wat aparte ideeën over het leven. Gauguin was eindeloos op zoek naar iets ongrijpbaars  de puurheid van het wilde leven. Europa was hem te verstikkend, te conventioneel. Het aards paradijs lag aan de andere kant van de wereld, in Polynesië, dacht hij. Hoe zijn kunst hem daarheen leidde, is te zien in ‘Gauguin l’alchimiste’ in het Grand Palais in Parijs. Met 239 werken biedt de tentoonstelling een rijkelijk overzicht.

 

Gauguin is het bekendst van zijn schilderijen van blote meisjes uit Tahiti. Maar hij was evenzeer een begenadigd beeldhouwer, etser, uitgever en houtbewerker. Zijn genie schuilde erin dat hij de verschillende disciplines tot een geheel smeedde. Gauguin was multimediaal avant la lettre. De curatoren noemen hem de alchemist, omdat hij uit alles kunst maakte. De expo speelt die veelzijdigheid mooi uit.

Gauguin bracht zelf ook geen hiërarchie aan in zijn kunst. ‘De scheppingskracht van de kunstenaar is belangrijker dan het resultaat. Het is de enige manier om naast God te kunnen staan, de schepper van alles’, staat op een van de muren Dat is nog zo’n apart idee van Gauguin : hij vergeleek zich graag met God. Aan het begin van de expo is een zelfportret uit 1889 te zien. Hij op de voorgrond, de gekruisigde Christus in de achtergrond.

Beursmakelaar

 Ook als kind was Gauguin anders. Toen hij één was, trokken zijn ouders vanuit Parijs naar Peru, waar verre familie woonde. Zijn vader overleed tijdens de overtocht. Toen zijn moeder in 1855 met haar kinderen terug naar Frankrijk keerde, voelde de 7-jarige Gauguin zich meer Peruviaan dan Fransman. Met zijn klasgenoten had hij weinig contact. Hij was een eenling die de tijd verdreef met het kerven van figuurtjes in hout.

In 1867, hij was toen wees geworden, ontmoette Gauguin de belangrijke kunstverzamelaar Gustave Arosa. Bij hem ontdekte hij werken van Gustave Courbet en Eugène Delacroix. Ze zetten Gauguin op het artistieke spoor. Arosa hielp hem ook aan een baante bij het Parijse beurshuis Bertin. Gauguin bleek een uitstekend makelaar, met een fijne neus voor de markten. Maar na een tijd begon het wheelen en dealen op de beurs hem te vervelen. Zijn vrije tijd ging volledig op aan tekenen en schilderen. Eerst was zijn stijl nog vrij klassiek en academisch. Maar al snel ontdekte hij de impressionisten. Vooral de invloed van Edgar Degas is onmiskenbaar.

Eind 19de eeuw gunde niemand in de Franse kunstwereled elkaar het licht in de ogen. Toen Gauguin in 1880 werd uitgenodigd om samen met de impressionisten tentoon te stellen in Parijs, trokken de sterren Claude Monet en Auguste Renoir zich terug. Ze vonden dat Gauguin niet meer was dan een klakkeloze kopieerder. Helemaal ongelijk hadden ze niet.

Gauguin liet de kritiek niet aan zijn hart komen. Zijn opvattingen over het wezen van de kunst waren fundamenteel anders. De impressionisten wilde de werkelijkheid weergeven zoals zij die zagen : een impressie van kleur en licht. Voor Gauguin was kunst de afspiegeling van de ziel van de kunstenaar. Met die opvatting stond hij dichter  bij de latere symbolisten dan bij de impressionisten.

In 1883 gaf Gauguin zijn job als beursmakelaar op. Hij werd voltijds kunstenaar. Om rond te komen ging hij onder meer in het atelier van de Parijse keramist Ernest Chaplet werken. Hij ontwierp ook meubels. De expo in het Grand Palais speelt al die elementen prominent uit. Eén thema komt vaak in verschillende vormen terug. Het prachtige schilderij ‘Dans les vagues’ uit 1889 vond een jaar later zijn pendant in de houtsnede ‘Soyez mystérieuses’. Een fraai gevomd koffiepotje zie je even verder terug op een stilleven. Mocht merchandising al hebben bestaan dan was Gauguin er wellicht niet vies van geweest. Hij verkeerde constant in geldnood.

Geïdealiseerde explosie
 Zijn zoektocht naar het wilde paradijs ging onverdroten voort. Hij dacht het eerst gevonden te hebben in Bretagne waar hij in 1886 in Pont-Aven een kunstenaarskolonie stichtte. Bretagne was aan het einde van de 19de eeuw niet zo sterk ontwikkeld als de rest van Frankrijk. Gauguin zag daar iets wilds in. Hij schilderde de inwoners in hun folkloristische klederdracht. De Bretoenen liepen niet hoog op met die schilder uit Parijs. Ze voelden zich belachelijk gemaakt.

In 1891 reisde Gauguin naar Tahiti. Maar de Franse kolonie met haar vele westerse geplogendheden was minder idyllisch dan verwacht. En dus trok hij steeds verder de wildernis in, op zoek naar het pure leven. Dat vond hij in afgelegen dorpjes.

De laatste zalen van ‘Gauguin l’alchimiste’ belichten zijn Polynesische kunst. Het is een explosie van kleur en geïdealiseerde zinnelijkheid. Gauguin schilderde het paradijselijke leven, inclusief de grote angst van de Tahitioanen voor de boze geesten, in ruwe, grote kleurvlakken. Kijk naar het prachtige ‘Manao Tupapau’ uit 1892.

Met zijn indringende stijl effende Gauguin het pad voor de fauvisten. Henri Matisse is sterk door hem beïnvloed. Ook Picasso is aan hem schatplichtig, zowel qua thematiek als materiaalgebruik.

Hoe mooi de schilderijen van de Tahitiaanse vrouwen ook zijn, ze hebben ook iets ranzigs. Het paradijselijke leven najagend zag Gauguin er geen graten in om zijn leven en bed te delen met meisjes van 13 of 14. ‘Dat is daar de gewoonte’ vergoelijkte hij in zijn dagboek. Het is maar de vraag of die meisjes er zo over dachten. Op haast geen enkel schilderij kan er een lachje af. Ze lijken ook nooit echt in de ogen van de schilder te kijken, alsof ze hem toch maar een idioot vonden.

Omdat hij ook in Tahiti geen rust vond, verkaste Gauguin in 1901 naar de Markiezeneilanden. Hij bouwde er een prachtig Polynesisch huis : ‘la maison de jouir’, het huis van genot. Op de expo is het gedeeltelijk nagemaakt.Het is opgedragen aan de schoonheid van de Polynesiche vrouw, die Gauguin in prachtige houtsnedes vereeuwigde. Maar gelukkig werd hij er niet.
In 1903 stief hij na een reeks hartaanvallen veroorzaakt door syphilis, opgelopen zes jaar eerder in Parijs, toen hij zijn Polynesische werken probeerde te verkopen.

‘Gauguin l’alchimiste’ loop tot 22 januari in het Grand Palais in Parijs. 
www.grandpalais.fr

Tekst geschreven door Koen van Boxe
Uit ‘De Tijd’ van 14/10/2017